De bevalling.              November 2002

Ondanks haar zware buik galoppeerde Raisa tijdens de wandeling nog vrolijk over het zandpad. Het was dag 59 na de eerste dekking en van een naderende bevalling was nog niets te merken.  ’s Middags liet de koortsthermometer een daling van een hele graad zien, maar Raisa was de rust zelve, lag heerlijk te luieren en leek nog niet van plan zich in te gaan spannen om haar pups op de wereld te zetten.

Omdat Raisa die avond nog steeds even ontspannen lag te snurken, besloten we zelf ook maar te gaan slapen. De deur tussen slaapkamer en woonkamer bleef open, de wekker was gezet om regelmatig even een kijkje te kunnen nemen. Uitgestrekt op de bank genoot Raisa van de aai over haar bol die ze die nacht ieder uur kreeg. Er gebeurde niets. Tot ik om half zes in de ochtend een natte neus in mijn gezicht voelde. Raisa wilde naar buiten. Het is maar goed dat we geen naaste buren hebben.

Het moet een vreemde vertoning geweest zijn, zoals we door de tuin scharrelden. Raisa steeds hurkend en kleine plasjes druppelend. Ik erachter in kaplaarzen en ochtendjas, speurend met de zaklantaarn om te zien wat er uit kwam.

Het bleek loos alarm. Weer binnen nestelde Raisa zich opnieuw op de bank en slaapdronken tolde ik mijn bed in. Half dromend merkte ik dat Raisa om mijn bed kwam rommelen, wat hijgerig was en kuilen probeerde te graven in de vloerbedekking. Maar na de in stukjes gebroken nacht wilde het nog niet helemaal tot mij doordringen wat dat  betekende. Tot ik om half zeven wakker schrok van een wel heel bekend geluidje: de schreeuw van een pasgeboren pup! Ik struikelde mijn bed uit en zag hoe Raisa haar eerste boreling al keurig uit het vlies had gepeld en schoonlikte.

Het natte, zwarte pupje was heftig op zoek naar een tepel. Enigszins ontdaan van de vliegende start van deze bevalling verplaatste ik moeder en kind naar de werpkist in de woonkamer. Ik belde Jolanda, die graag de geboorte van de kinderen van haar reu wilde meemaken. Tegen de tijd dat ze alle files achter zich had gelaten en ons erf opreed, had nummer vier nèt  zijn eerste hapje lucht genomen. Raisa besloot dat het tijd was voor een pauze.

Met haar viertal gezellig tegen zich aan sloot ze haar ogen en genoot van een welverdiende rust. Vele kopjes koffie later besloot ze de draad weer op te pakken. Een kort wandelingetje door de tuin, wat rondjes door de werpkist en nummer vijf en zes deden kort na elkaar hun intrede in de wereld.

Het wachten begon opnieuw. Raisa waste, zoogde en sliep. De kinderen kwamen uit school en bewonderden de puppy’s. Ze waren blij met de mededeling dat ze vandaag onbeperkt mochten computeren als ze maar stil waren. Wij dronken thee, koffie, aten broodjes, dronken koffie en weer thee. Ik was ervan overtuigd dat er nog een nummer zeven zou komen. Raisa had tot nu toe altijd voor een vertraagde toegift gezorgd. Een wandelingetje hielp niet de weeën weer op gang te  brengen. Wat druivensuiker en massage van de tepels evenmin. Toen het einde van de middag in zicht kwam, vond ik het tijd worden om de dierenarts te bellen. Op mijn verzoek kon ik een spuitje oxytocine  komen halen.

Weer thuis werd het Raisa toegediend en verwachtingsvol hielden we haar in de gaten. Er gebeurde niets. Het was avond toen we elkaar aankeken en zeiden: “Het lijkt erop dat ze klaar is”. Raisa gaapte eens. Ik geloof dat ze dacht: “Wat zijn mensen toch dom. Dat ik klaar ben wist ik toch al uuuuuuren ……..”